Over het madrigaal
Het madrigaal is een van de mooiste kruispunten van poëzie en muziek. In de 14e eeuw begon het als een Italiaans pastoraal gedicht — herders, herderinnen, de geur van zomer, de smart van liefde. In de 16e eeuw ontdekten componisten als Monteverdi, Gesualdo en Marenzio de vorm opnieuw: ze zetten de gedichten op meerstemmige muziek, en het madrigaal werd een van de populairste muziekgenres van de renaissance.
Als poëtische vorm kenmerkt het madrigaal zich door vrije lengte (8 tot 13 regels), een wisselend rijmschema, en — meest typerend — de afwisseling van korte en lange regels. De klassieke Italiaanse versvoet wisselt tussen de endecasillabo (11 lettergrepen) en de settenario (7 lettergrepen). Die ritmische ademhaling verraadt de muzikale oorsprong: lange regels die ademen, korte regels die terugveren.
Vormkenmerken
| Regelaantal | 8 tot 13 regels, één strofe of twee met witregel |
| Rijm | Vrij — geen vast schema verplicht. Veelvoorkomend: abab cdcd ee of abba cddc ee |
| Regellengte (klassiek) | Afwisselend 11 en 7 lettergrepen (endecasillabo / settenario) |
| Slot | Vaak een rijmpaar of korte slotregel — een pointe of stemming-bekrachtiging |
| Thema | Liefde, natuur, vergankelijkheid — maar elk onderwerp werkt |
Een veelgebruikt lettergrepenpatroon
Een klassiek madrigaalritme kan er zo uitzien: 11–7–11–11–7–11–11–7–7–11–11. De tool herkent dit en markeert het positief — maar verplicht is het niet.
Demonstratiefragment
Voorbeelden uit het publieke domein
Francesco Petrarca (1304–1374) schreef naast sonnetten ook madrigalen. Zijn Canzoniere bevat korte liefdslyriek met deze muzikale wisseling van lange en korte regels.
Torquato Tasso (1544–1595) was een meester van het pastorale madrigaal. Zijn teksten werden veelvuldig door componisten getoonzet.
P.C. Hooft (1581–1647) schreef madrigaal-achtige korte lyriek in het Nederlands, vindbaar via DBNL.
Verwante werkplaatsen: SonnetSerre (strikte renaissance-vorm) · Cinquaincompartiment (lengtevariatie) · Odeoratorium (verheven lyriek)